Een huis

“De hemel is mijn troon en de aarde mijn voetbank. Wat wilt gij toch een huis voor mij bouwen, een rustplaats voor Mij zoeken? Al wat bestaat heb Ik met eigen handen gemaakt, alles is van Mij, Ik ben vol zorg voor degenen die nederig zijn, zonder pretenties, en vol ontzag voor mijn woord.”, zegt God. Mijn eerste gedachte: “Dat is waar, alles is van God”. Toen kwam een tweede gedachte: “We hebben toch kerken voor Hem gebouwd, wat is daar mis mee?” Vertrouwend op Gods Woord, moest ik een andere betekenis zoeken. Ik kwam op het spoor van goede daden. Wij willen goed zijn, zelfs huizen bouwen of schenken. En vroeg of laat komt dan het addertje van onder het gras. Als de persoon in kwestie, ons niet van dienst is, voelen we ons onterecht behandeld. Dan blijkt dat onze goede daad, een schuldbriefje was. En God zegt, ongezouten, dat we nooit eigendomsrecht hebben, op goede daden. Goede daden zullen altijd Zijn daden zijn, tot Zijn huis behoren. Hij bouwt met ons, niet wij voor Hem.

Babyborrel (deel 2)

Heel sterk bewust dat wij “in een andere wereld” leven en niet langer vanzelfsprekend betrokken willen zijn bij een plaatselijke geloofsgemeenschap (parochie) worden wij ook steeds meer gekleurd door praktisch ongeloof. In die andere wereld – nu soms erg gekleurd door onverschilligheid – worden wij niet langer bezield en gedragen door een gelovige overtuiging. Toch worden er de laatste jaren wel pogingen gedaan om onverschilligheid te doorbreken. In onze parochiale eenheden (samengevoegde parochies) groeien er pogingen om het doopsel en het vormsel anders te vieren en voor te bereiden. Naar aanleiding van de eerste communie worden er nu ook wel steeds meer kinderen samen gedoopt in het eerste leerjaar. Er zijn nog christenen die in onze nieuwe leefcontext God terug ontdekken als een ervaring, als een dynamiek van liefde. Sacramenten kunnen dan opnieuw ontdekt en beleefd worden als een heilig gebeuren en als een uitnodiging om anders te leven, meer bekommerd, meer toegewijd.

Babyborrel (deel 1)

Een babyborrel is een kinderfeestje meestal ter vervanging van het doopsel en van het doopfeest. Het is meestal ook een heel creatief en kindvriendelijk gebeuren. Op de twee sterke en gevoelige momenten van ons leven, bij geboorte en dood willen wij samen zijn en vieren. Maar in onze seculiere samenleving is er wel steeds minder openheid voor een goddelijke nabijheid en in veel gezinnen is er ook steeds minder een christelijke sfeer te proeven en te ervaren. Zo is er ook weinig bereidheid om met kinderen een christelijke weg te gaan. Uiteraard stimuleert dit huidig leefklimaat ons dan ook weinig om in een kerk het sacrament van het doopsel te vieren. Men is of wij zijn stap voor stap vervreemd geraakt van het kerkelijk gebeuren, van een christelijk, gelovig aanbod, van een christelijke overtuiging en van een sacramentele viering. In onze kerkelijke kringen en bijeenkomsten wordt dit – met pijn in het hart – als een serieus, gelovig verlies ervaren. (morgen volgt deel 2)

 

Blijmoedig vasten

Benedictijn, N. Devynck, opent de lezing met: “Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen … (Mt 6,16)”
Zorg dat je niet opvalt, is de les. In de vasten strijden we met hartstochten en ondeugden om te leren tot rust te komen in ons hart en ons te laten doordringen van Gods Genade. Alles wat een mens kan gevangen houden, komt in deze woestijntijd naar boven: toorn, verlorenheid, droefenis, jaloezie, hoogmoed … Ik word a.h.w. ontmaskerd en kan mijn kleine kanten niet weg drinken, weg eten, weg roken … Vasten maakt ons brozer en weerlozer. We leren ons onthechten van het aardse, ons los maken van het materiële en/of spirituele streven om meer smaak te krijgen in Gods Woord. In deze weken leren we ons meer toevertrouwen aan de Heer; Hij alleen kan onze honger stillen. In die zin gaat vasten ook samen met gebed en verzoening; de mens bekent zijn zondigheid en verlangt ernaar zich als herboren ziel naar Zijn Schepper te keren. Zo maakt waarachtig vasten de mens nederig naar lichaam en geest. Uitgelezen kans!

Delbrêls wijsheid

“Er zijn plaatsen waar de Geest waait, maar er is een Geest die overal waait.” Met haar wijze geschriften nodigt Madeleine Delbrêl ons uit tot een dieper gelovig leven in rauwe praktijk. Nergens God beter te vinden dan in de straat, onder de mensen, te midden van hun zorgen. Op 17-jarige leeftijd was ze overtuigd atheïst. Doch door een kortdurende relatie met een gelovige jongeman, die later intreedt bij de dominicanen gaat ze twijfelen. Gelijktijdig loopt de scheiding van haar ouders en in die gebrokenheid komt God haar zelf zoeken, zo schrijft ze. Ja, in onze grootste armoede kan God ons tegemoet treden en er Zijn Werk beginnen, meent ook Moeder Theresa. Of je nu een pen vasthoudt of een bezem, het is God die ons steeds verder laat groeien in genade via de acties die we uitvoeren, de mens die we mogen ontmoeten of horen aan de lijn. Het is het leven midden die arbeidersellende in Ivry, in de jaren ’30 sterk communistisch gekleurd, waardoor Madeleine God steeds beter leerde kennen. Het Evangelie en het leven zijn zo nauw verbonden. Zien en horen wij dit ook?

Omkeren

Vandaag klinkt luid de roep van jong en oud om iets te doen aan de klimaatverandering. Jongeren spijbelen en komen op straat omdat het 5 voor twaalf is. Het is een oproep om eindelijk ons gedrag te veranderen, om eindelijk ons leven een andere wending te geven. Meer rekening te houden met anderen en niet alleen te leven voor onszelf, nu. Alleen dan kunnen we de wereld en de mensen geven wat hen toekomt. Alleen als wij luisteren naar die stem, of ze nu klinkt door de jeugd, door de overheid, door een profeet, de politiek of door de paus. Het zou een oproep van God kunnen zijn om ons te be-keren, niet alleen wat het klimaat betreft, maar aangaande de gehele wereldsituatie. Gerechtigheid, vrede, vergeving, barmhartigheid…. Voor christenen is de vastentijd teken dat zij zich willen omkeren, dat zij zich bewust zijn van wat er mis gaat in hun leven, dat zij opnieuw in de liefde willen gaan staan en zo liefde willen uitstralen naar de wereld en de mensen rondom.

Hongerige wolven

Een roedel wolven duikt de nacht in.
Het is bij volle maan als hun oorverdovend gehuil weergalmt over bos en dal.
Hongerige wolven, hun reukzin gericht op elk bloedspoor, met het Alfa mannetje als leider.
Hun verschijning boezemt angst in, doet ons beven op ons grondvesten.
Ze hebben iets groots, majestueus, een donkere kant met hun schofthoogte om “u” tegen te zeggen.

Hongerige wolven,
doordringende ogen,
schaduwdans, gegronde angst.
Knetterend kampvuur, allerlei rituelen, een zielendans.
Het vuur als bescherming, het maakt ze schuw.

Hongerige wolven luiden de nacht in bij volle maan.

Rosanna