Een gletsjer

Een gletsjer smelt van binnenuit, heb ik deze vakantie geleerd. Ik kreeg het geluk om dicht bij gletsjers te komen. Ze liggen daar, reusachtig, onaangedaan, en toch… Ze zijn het waterreservoir voor de streek en ver daarbuiten. In dit geval voeden ze de Po en de Donau. Twee grote waterwegen, waar heel wat mensen van afhankelijk zijn. Iedereen weet nu wel dat gletsjers stilaan verdwijnen. En toch liggen ze daar tussen de rotsen, machtig groot, praktisch ontoegankelijk. Ze liggen daar te smelten van binnenuit zonder jammeren of klagen. Ze zijn indrukwekkend en toch weerloos. Ze blijven gevaarlijk terrein, en toch leven gevend. Ze hebben iets puurs, iets reins, iets onbereikbaars en zij bereiken ons. Ik wou dat ik iets van een gletsjer had, een hart dat van liefde smelt, overloopt, een hart dat niet jammert en klaagt, een hart dat weerloos is, en weet dat het gedragen wordt door de rots. Een hart dat vertrouwt op God die alles en allen overstijgt. Zelfs een gletsjer kent zijn Meester.