Alleluia!

De hele veertigdagentijd hebben wij geen Alleluia mogen zingen. Het doet je wachten. En terwijl je wacht bereid je je voor op een nieuwe morgen. We hebben een doortocht gemaakt door het land van duisternis en eenzaamheid. We zijn er stil van geworden. Dit is niet erg en ook niet slecht. Het is goed af en toe te versoberen om de confrontatie met je diepere lagen aan te gaan. Of om het lijden dat je overkomt en dat je ook buiten jezelf ziet een plaats te kunnen geven. Maar nooit zonder hoop. In die veertig dagen waren we immers niet echt alleen. We vermoedden al waar het op aan zou komen. Nog in een sluier van weemoed en melancholie. Maar nu breekt de kiem open. Na te zijn gestorven is er opnieuw vruchtbaarheid. We mogen weer naar buiten komen. Het is nog pril en kwetsbaar maar niet te stuiten. Het leven breekt door. Het licht overvalt ons met zijn helderheid. Er is geen twijfel mogelijk. Doorheen deze dagen zijn wij gered. Sommigen aarzelen misschien of zijn ongelovig maar het getuigenis van zij die zien zal hen helpen om ook vrij te worden.