Bijbelse vertellers

De bijbelse schrijvers van het oude en het nieuwe testament waren de vertellers van hun tijd. Dat betekende o.a. dat ze geen historische nauwkeurigheid op het oog hadden. Ze wilden vooral in de vele levenservaringen, in het volle leven, iets vermoeden en ontdekken van Gods nabijheid. Dat zoeken naar God was tegelijk ook een bekommerd uitkijken naar de geschiedenis van de mens. De kwaliteit van het leven heeft dan te maken met de rechtvaardigheid, met aandacht voor broze, zwakke mensen. In de bijbel wordt godsdienst beschreven als ‘dienst aan mensen’. In een brief van Johannes klinkt die stille overtuiging als volgt: “Wie zijn broeder liefheeft woont in God. In hem is Gods liefde werkelijkheid geworden.” En de godsdientsleraar getuigt: “Als ik niet liefheb is het moeilijk om God te ervaren.”