Op zijn rug

Daar lag hij dan: gevloerd, plat op de grond, op zijn rug. Even potsierlijk als hulpeloos. Onmogelijk dat hij alleen weer recht kon. Na een stormachtige nacht reed ik door een straat opgesmukt volgens deze tijd van het jaar met lichtjes en glitters allerhande én ook met een grote, opblaasbare kerstman. Het was hij die door de storm geveld was. Net goed, dacht ik bij mijzelf. Geen enkele kerstman kan op veel sympathie rekenen van mijnentwege. En zeker niet zo’n opgeblazen, pronkerig exemplaar. Staat  hij niet symbool voor platte commercie? Is hij niet het ultieme product van onze consumptiemaatschappij? Voorbeeld bij uitstek van hebben en krijgen, steeds meer en liefst onmiddellijk? Geef mij maar het Kerstkind: lieflijk, zacht, klein en weerloos. En met een licht monkellachje reed ik de gevallen reus voorbij. Maar sindsdien blijft zijn aanblik en mijn reactie door  mijn hoofd spoken. Was ik niet te snel in mijn oordeel? Wat betekent de vredelievendheid van het Kerstkind voor mij? Kunnen de Kerstman en het Kerstkind het met elkaar vinden?