Stilbewogen verlangen

Eerst is er een stilbewogen verlangen,
eindeloos groot,
wetend dat het niet bij dit aardrijk hoort.
Bang om het te baren in deze wereld.
Te pril en rein voor deze wereld.
Ik durf het niet een naam te geven.
Ach, het overstroomt mij
breekt door alle stuwdammen heen.
de liefde, de Liefde…, die Gij zijt,
mijn God…
Hoe durf ik het uw naam te noemen,
Uw Naam te benoemen
die zo meteloos rein en puur zuiver is.
Ik aanbid U, God.
Ik fluister slechts om Uw ragfijne Zijn
in mij, niet te breken…
Laten wij enkel stralend Uw Mond bezingen,
tokkelend op citersnaren en grondeloos
dankbaar zijn, dat Gij ons hét Leven schonk,
rustend in Uw warme Schoot.
Geen mens kan ons daaruit schudden…
Geborgen in Uw Hart berg ik me
in een eeuwige dankbare Vrede
heel heel dichtbij U…