Rouwsonnet

Mijn rouwfilters zijn versleten. Mijn verdriet halverwege blijven hangen toen druppelsgewijs één voor één iemand naar de overkant ging mij achterlatend ontheemd, verloren, iedere keer opnieuw een verwond-ding. Want filteren daar doet de dood niet aan, moet ie niets van weten.

’s Nachts daarentegen tijdens mijn dromen wordt niemand vergeten: dagdromend tuimelen ze in de kring, zolang ik diep vanbinnen het rouwlied zing verdampen alle tranen in nachtelijk zweten.

Wanneer dan nacht overgaat in dag of dag in nacht, altijd alleen op die grens is emotie het meest rauw, dan lijkt het alsof alles wacht op die ene nieuwe levensadem, onverwacht voor degene die niet in ogenschouw nemen dat dit alles alleen leven bracht.

(m.v.)