Markthal of tempel?

Jezus gaat de confrontatie aan met de handelaars in de tempel, “maak van het huis van mijn vader geen markthal”. Jezus vindt dat die handel niet in de tempel thuishoort. En dat laat hij merken ook.
In de discussie met de autoriteiten noemt Hij ook zijn eigen lichaam een tempel. Dit vertelt ons wel iets over Jezus’ visie op God. De tempel is het huis van God, daar is God te ontmoeten. Die idee leefde heel sterk bij de joden. Maar, zegt Jezus: God woont ook in mij, is ook in mij te ontmoeten. Jezus maakt zo duidelijk dat God woont in elke mens, dus in elke mens te ontmoeten is. Het verhaal zegt ons iets over de manier waarop men in Jezus’ tijd keek naar de tempel en naar God. Er speelde zich een soort koehandel af. Met het brengen van offers dacht men God te vriend te houden, als je dat deed, zat je goed. Nee, zegt Jezus, wil je God echt eren dan moet je goed zijn voor de mensen, want God woont in hen, en dat is veel belangrijker dan de tempel.