Ongeloof

In zijn geboortestreek krijgt Jezus te maken met veel scepsis en ongeloof. “De mensen moesten niets van Hem hebben” en “Jezus was verwonderd over hun ongelovige houding”, staat er in Mc. 6, 1-6.
Er is momenteel ook veel ongeloof. Meestal heeft dat betrekking op de kerk. De manier waarop de kerk functioneert wordt ervaren als autoritair en wereldvreemd. En er is ook ander ongeloof. Het valt ons moeilijk om werkelijk te kiezen voor de naasten in dit ik-tijdperk. Onze eigen welvaart blijft belangrijker dan de honger in de wereld. Jezus’ woorden oogsten wel brede sympathie maar weinig aanhang. Ook vinden wij het een wonder wanneer iemand geneest door een halfedelsteen op zak te dragen of door naar Banneux te gaan, maar we noemen het geen mirakel wanneer een chirurg heilvol heeft ingegrepen, of een zieke door eigen kracht herstelt. Waarom kunnen we het gewone en alledaagse niet zien als het bijzondere en goddelijke? Waarom is ons geloof zo klein?