Mijn moeder

We kunnen er niet om heen: de herfst is in het land. De natuur ademt heimwee. Slierten van nevel dragen in zich de herinnering aan wat was of nooit was en nooit meer zal zijn. Gewapend met snoeischaar, borstel, emmer en zeemvel geef ik het graf van mijn moeder een poetsbeurt. Het is nu al bijna tien jaar dat zij overleden is. Onze relatie was niet makkelijk, getroebleerd zouden wij beter zeggen. Vaak verstond zij mij niet en ik haar nog minder. Het zorgde voor de nodige spanning, soms uitgesproken, meestal onderhuids. Toch komen we ieder jaar dichter bij elkaar. Met iedere knip van de snoeischaar snoei ik ook de dorre takken in mijn hart weg. En met mijn schuurborstel wrijf ik de vele vlekken weg die al het moois tussen ons bedekken. Ik wil haar zoveel vragen, en nog veel meer zeggen. Maar vooral wil ik haar danken voor het leven dat ze mij geschonken heeft. Zomaar. En zie, zo ligt haar graf er weer piekfijn bij. Nu nog een bloem, een klein woordje. Eerlijk? Over de dood heen, besef ik meer en meer hoe wij van elkaar hielden, elk op onze stuntelige manier.